(?)

De grijze stad

Het is nacht. Sterren vullen de stille nachthemel. Het is net alsof ze de vliegers van vrolijke kinderen vervangen. Niets extreem bijzonders, maar toch vullen ze je met vreugde. Het is buiten rustig. Iedereen slaapt na een lange dag van hard werk. Niets bijzonders. Niets bijzonders...

Alysha wordt wakker. Haar lange, donkere haren hangen deels voor haar bleke gezicht. Haar ogen zijn nauwlijks open. Een lichtstraal valt tussen de gordijnen door haar kamer binnen. Grappig, wakker voordat de wekker ook maar een enkele poging doet haar te wekken. Maar hij moet nog steeds gaan. En dat gebeurt. De wekker gaat. Alysha draait rond in haar bed en drukt een kussen tegen haar oren. Na een tijdje onrustig ronddraaien slaat ze in het rond. Daar gaat haar beker. Hij valt met een boog van haar kast af en op de grond. Scherven glas liggen op de vloer, midden in een grote plas water. Ze slaat nog meer, en dan is het raak. Haar wekker is eindelijk uit. Ze gaapt even, voordat ze haar deken aan de kant legt en opstaat. Even later loopt ze de kamer uit in een grijze, simpele jurk. Gelukkig, geen bloedende voeten. Maar het is toch beter om de glasscherven even te melden. Ze loopt naar de kamer van haar moeder, en stapt onderweg even in een paar pantoffels. De deur staat op een klein kiertje, en Alysha voelt een harde bries door de kier heen. Ze opent de deur. Haar moeder ligt op de grond. Een grote tak ligt midden in de donkere kamer. Deze kamer was altijd al zo donker, aangezien de vorige bewoners de stomme fout hebben gemaakt om een boom vlak voor het raam te plaatsen. Weer een harde bries. Ze voelt iets rond haar voeten. Iets hards. Ze haalt haar hand even over de grond, maar trekt hem al gauw terug. Pijn. Wat kan er op de grond liggen dat haar zoveel pijn veroorzaakt? Ze kijkt naar haar hand. Er zit een lelijke snee op haar ringvinger. Misschien...Ze pakt een van de harde dingen voorzichtig op. Dit voelt als glas. Glasscherven, dat was het! Ze kijkt naar het raam en ziet al gauw een groot gat. Een heel groot gat. Dat is natuurlijk waarom ze het hier voelde waaien. Ze kijkt nog eens goed. Er ligt een grote tak op de grond, misschien naar binnen gewaaid? En haar moeder...Ze ligt roerloos. Alysha tast rond in de duisternis. Ze voelt de zachte, blonde haren van haar moeder, en iets vloeibaars. Ze rent snel naar de deur. Vervolgens slaat ze met haar hand een paar keer op de muur. Wat het ook was dat ze op haar hand had zit nu op de muur. Maar na drie keer wanhopig slaan springt het licht aan, en het eerste wat Alysha ziet is een rode vlek. Diep van binnen raakt ze in paniek. Grote paniek. Ze durft niet om te draaien, want wie weet  wat ze daar vindt? Ze loopt zachtjes de kamer uit, terwijl tranen op haar rode handen vallen. Het is stil in huis. Alysha's zusje, Noa, ligt niet in bed. Dit is een feit dat ze al gauw ontdekt wanneer ze de kamer van haar geliefde zusje inloopt. Maar vreemd genoeg ligt de deken recht en strak, alsof ze nooit is gaan slapen. Ze raakt nog meer in paniek. Haar vader...zou hij er nog zijn? Ze loopt in een vlot tempo de houten trap af, en trekt haar jas van de kapstok af. Ze trekt de jas aan, en kijkt even in de tuin. Er ligt een dunne laag sneeuw. Alysha opent de deur, die zwaar kraakt, en loopt een rondje. Ze veegt met haar bleke handje een beetje sneeuw van de bevroren vijver af, maar schrikt enorm. Een lichaam bevindt zich onder de laag ijs, en wel dat van haar zusje. Nu Alysha Noa ook gezien heeft, wordt het te veel voor haar. Ze rent naar buiten, maar de buiten aan de andere kant van haar huis. Ze vergeet in haar paniek on de tuindeur te sluiten, maar de voordeur gaat met een flinke zwaai en een harde klap dicht. 

De straat ligt vol sneeuw, net als de rest van de stad. Maar alles is kapot. Overal is vernietiging. Een huis staat in brand, en er vallen nog steeds brandende stukken af. Een ander huis is helemaal gebarsten, en er liggen stukken van het huis nog tien meter er vandaan. En een winkel is aan het branden én gebarsten. De stad die eens zo mooi was is nu helemaal vernietigd. Vernield. Verwoest. Gebroken. Wat heeft er plaatsgevonden? Wie heeft dit gedaan? Hoe heeft dit kunnen gebeuren, en waarom is er iemand die het overleeft? Alysha zit vol met vragen in haar hoofd, maar niemand om het aan te vragen. Niemand behalve...

Ertys. De god waar zij, Noa en waarschijnlijk iedereen in de stad in geloven. De god die zorgde voor een prachtige stad vol geluk. De god die er altijd voor iedereen is. Toch? Alysha besluit naar de Ertyspoort te gaan. Linksaf, rechtdoor, twee keer rechtsaf, nog eens rechtdoor...Alles gaat zo veel sneller nu de straten leeg zijn. De poort is nog steeds heel, en hoog zoals altijd. Het grote stenen bouwwerk strekt zich hoog uit, en is prachtig in de ogen van vele mensen. Tussen de twee grote pilaren is een gouden markering op de grond gezet. Alysha gaat er langzaam en met nerveuze stappen op staan. Ze opent haar mond, en geen enkele sterveling behalve haar is in de buurt. ''O Ertys, wat is er met de stad gebeurd en waarom leef ik nog?'' zegt ze vlug. Ze wacht even. Geen antwoord. Ze herhaalt haar vraag. Weer niks! Nu raakt ze gefrustreerd. ''O Ertys, wat is er met u gebeurd?" Dit keer gebeurt er iets. De gouden schijf waar ze op staat trilt even. Vervolgens verschijnen er rode letters op.

ERTYS IS WEG

Alysha staart even naar de letters voordat haar hoofd weer volstroomt met vragen. ''Wie bent u dan?''

IK BEN SYTRE

''Maar wat doet u dan hier? Dit is de Ertyspoort!''

IK BEN HIER VOOR HET EINDE

''Wat bedoelt u?"

KIJK ACHTER JE, IK HEB DE STAD VERNIELD

''Maar ik leef nog!"

DAN IS DIT HET EINDE VAN JOU

Bliskem komt neer naast Alysha. Ze springt snel opzij, ook al had de bliksem haar toch gemist. Ze raakt weer in paniek. Iedereen is dood behalve haar. Er is een vreemde, kwade god. Alles gaat zo snel, en zonder goede redenen. Haar hoofd tolt, en ze zakt langzaam weg. Maar ze mag nu niet opgeven. Ze moet wegkomen en antwoorden hebben. Antwoorden. Wegkomen. Hoe kom je weg van een god? Normaal zou je rennen, maar dit is niet zomaar een boze oude man. Dit is een god. Weer komt er bliksem neer. Dit keer steekt het een boom in brand. Alysha besluit het toch maar op een rennen te zetten. Ze kan dan misschien niet helemaal wegkomen, maar als ze geluk heeft raakt Sytre haar niet en vergeet hij haar.

Ze rent. En rent. En stap na stap komen er afdrukken in de verse sneeuw, terwijl Alysha door de straten rent. Haar lange, donkere haren komen in haar gezicht terwijl een bleke hand ze weg probeert te vegen. Er zit een vreemde god daar en Alysha heeft geen antwoorden. Ze rent verder, en verder, en verder. Ondertussen komt ze langs bekende gebouwen zoals haar school, de bakker en haar eigen, verwoeste huis. Ze rent, en rent, en stopt niet. Ze mag niet stoppen. Als ze stopt met rennen zal Sytre haar doden. Grijze vlekken in de vorm van huizen, winkels en flats schieten langs haar heen. Uiteindelijk bereikt ze de rand van de stad. Ze durft haast niet om te kijken. Maar ze doet het toch maar. In de stad is niks te zien, maar boven de stad is een zwarte vlek. Alysha rent verder. Wat die vlek ook doet, het bevalt haar helemaal niks.

Na een lange tijd rennen komt ze aan in een naburig dorpje. Hier is alles normaal. Er zijn geen verwoeste gebouwen, iedereen is vrolijk en niet dood, en Alysha stopt. Een paar vragende gezichten draaien zich naar het meisje, terwijl ze langzaam in elkaar zakt. Pure uitputting is haar de meester geworden. En een heel stuk verderop groeit de vlek langzaam. Hij groeit en groeit. De vlek zorgt eerst voor een gigantische schaduw over de stad, waarna hij zich als een koepel om de stad heen sluit. Vervolgens wordt de koepel een met de stad en smelt hij langzaam tot een zwarte plas op de grond. Maar dan groeit hij, en blaast hij zich op als een ballon. En zoals elke ballon ontploft deze uiteindelijk met een grote knal.

Alysha schrikt wakker, en de inwoners van het dorp kijken ook ineens op. Ze kijken allemaal in het rond, op zoek naar de oorzaak van het harde geluid. Alysha kijkt rond, en ziet dat ze in een bed ligt. Ze staat op en loopt langzaam naar de deur. Vervolgens loopt ze iets sneller van de trap af, en botst ze tegen een slanke vrouw aan. ''Oh..pardon..'' ''Het is al goed, meisje. Je lag daar maar op het plein te slapen.'' ''Lag ik te..slapen? En wat was die knal? Kwam hij uit de stad?'' Alysha wijst uit een raam naar waar de stad ooit was. ''Welke stad? Ik ben haast zeker dat de knal uit die richting kwam, ja, maar een stad? Daar is nog nooit een stad geweest.'' Alysha raakt nu nog meer in de war. ''Je bent vast in de war. Slapen op een plein is ook geen goed idee. Ga maar weer naar bed. Ik ben Arin, trouwens.'' Alysha knikt. Ze loopt weer terug naar boven, en gaat het bed in. Ze valt langzaam in slaap.

Midden in de nacht wordt Alysha wakker. Haan ogen zijn dicht, maar moeiteloos loopt ze naar beneden. Ze loopt de schuur in, waar ze een blik blauwe verf pakt. Ze loopt naar boven met het blik in haar handen, en opent het blik. Ze steekt haar hand in de verf en begint op de muur te schrijven.

IK BEN ERTYS